Behandeling
Insuline
Mensen bij wie type 1 diabetes is vastgesteld, krijgen direct insulinetherapie voorgeschreven. Toediening van insuline (in combinatie met dieet) is de enige mogelijke behandeling. De regelmatige toediening bootst de insulineproductie van het lichaam zo veel mogelijk na.
Insuline wordt toegediend met behulp van een insulinepen of -pomp. Bij het instellen van de hoeveelheid insuline streeft de behandelend arts ernaar dat de nuchtere bloedglucosewaarden zo optimaal mogelijk zijn: tussen 4 en 7 mmol/l. Goede, stabiele bloedglucosewaarden verminderen namelijk de risico's op complicaties van type 1 diabetes.
Zelfzorg
Iemand met type 1 diabetes heeft kennis en vaardigheden nodig voor de dagelijks noodzakelijke zelfzorg. Diabetesvoorlichting en -educatie is erg belangrijk bij het leren omgaan met de ziekte. Zo is zelfcontrole van de bloedglucosespiegel (met behulp van teststrookjes of een bloedglucosemeter) onmisbaar in de behandeling. Verder moet iemand de effecten die sport, beweging, voedsel en stress op de bloedglucosewaarden kunnen hebben, bij zichzelf goed kunnen inschatten. Op basis van die inschatting en de zelfcontrole kan hij of zij de dosering en het toedieningsmoment van insuline zo nodig aanpassen. Belangrijk is dat iemand bij zichzelf de verschijnselen van een hyperglykemie (te hoge bloedglucose) en hypoglykemie (te lage bloedglucose) kan herkennen en weet wat in die gevallen gedaan moeten worden.
Een hyperglykemie kan zich bij mensen met type 1 diabetes snel ontwikkelen. Het is te herkennen aan: een vieze adem (acetongeur), veel moeten plassen, droge mond en dorst, misselijkheid, braken en/of uitdrogingsverschijnselen. Het is belangrijk dat iemand bij dorst en veel plassen veel (minstens 2,5 liter/24 uur) drinkt en elke paar uur de bloedglucose meet. Op basis van de glucosewaarden kan (zo nodig in overleg met de (huis)arts of diabetesverpleegkundige) de insulinedosering worden aangepast. Bij misselijkheid, braken, sufheid en dreigend coma moet direct de (huis)arts of diabetesverpleegkundige worden ingeschakeld (of eventueel de spoedeisende hulp).
Een hypoglykemie kan zich aandienen met concentratiestoornissen, verminderd reactievermogen, ontactvol of agressief gedrag, moeite hebben met routinetaken, een snelle pols of hartkloppingen, wazig zien, traag en moeilijk spreken en misselijkheid. Door snel iets (zoets) te eten of te drinken is een hypoglykemie te verhelpen en is een hypoglykemisch coma te voorkomen. Bij mensen met type 1 diabetes doen de verschijnselen zich echter niet altijd zo herkenbaar voor. Er zijn cursussen die hen kunnen helpen een hypo beter te voelen aankomen.
Controles
Tijdens regelmatige controles onderzoeken huisarts, specialist of diabetesverpleegkundige onder meer de bloedglucosespiegel, bloeddruk en vetwaarden in het bloed. En naast de bloedglucosespiegel, die een momentopname is, geeft bepaling van het percentage geglyceerd hemoglobine (HbA1c) in het bloed een beeld van de gemiddelde instelling in de voorgaande 6 tot 8 weken.
Aan de hand van de diverse onderzoeken zal blijken of de ingezette behandeling kan worden voortgezet of aanpassingen (minder of meer insuline) behoeft. Er kunnen ook veranderingen in leefstijl (eten, bewegen, roken) nodig zijn.
Type 1 diabetes gaat samen met risico's op hart- en vaatziekten, nierziekten, oogafwijkingen en stoornissen in tast en gevoel. Een belangrijk aspect van de behandeling van diabetes is het zo vroeg mogelijk signaleren en behandelen van dergelijke complicaties. Daarom vindt regelmatig divers lichamelijk en bloed- en urineonderzoek plaats. Ook onderzoek van de ogen zal vroeger of later tot terugkerende controles horen. Daarvoor geldt een landelijk protocol.

