Type 1 diabetes
Bij type 1 diabetes zijn de bètacellen van de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier grotendeels vernietigd. Daardoor maken zij geen of nauwelijks insuline meer. Het lichaam kan glucose daardoor onvoldoende of niet verwerken.
Type 1 diabetes ontstaat vaak op relatief jonge leeftijd: voor het 30ste levensjaar en meestal al in de kindertijd. In het verleden stond het daarom ook wel bekend als ‘jeugddiabetes' (juveniele diabetes). Overigens kan type 1 diabetes op elke leeftijd ontstaan, ook bij ouderen en daardoor worden uiteindelijk de meeste mensen met type 1 diabetes toch op volwassen leeftijd gediagnosticeerd.
Type 1 diabetes komt veel minder vaak voor dan type 2 diabetes: 15% van alle diabetespatiënten heeft type 1.
Oorzaken
Type 1 diabetes ontstaat door een fout in het eigen afweersysteem. Het afweersysteem valt normaal gesproken vreemde indringers (zoals bacteriën en virussen) aan. Maar bij type 1 diabetes vernietigt het óók de eigen bètacellen in de eilandjes van Langerhans. Die kunnen daardoor geen insuline meer maken. Door aantasting van de structuur van de eilandjes van Langerhans kunnen de eilandjes op den duur ook geen glucagon meer produceren. Glucagon is het hormoon dat bij glucosetekort in het bloed helpt het bloedglucoseglucosegehalte weer op peil te brengen. Glucagon zet de lever en spiercellen aan om hun glycogeenvoorraden om te zetten in glucose en dat af te geven aan het bloed.
Erfelijkheid
Het afweersyteem beschadigt bij type 1 diabetes dus eigen lichaamscellen. Dat noemt men auto-immuniteit. Erfelijke aanleg, of ‘vatbaarheid', speelt daarbij slechts een kleine rol. Bij 90 tot 95% van de mensen bij wie type 1 diabetes wordt vastgesteld, komt diabetes type 1 niet in de familie voor. Wel hebben mensen van wie een eerstegraads familielid (vader, moeder, zus of broer) type 1 diabetes heeft, meer risico om de ziekte te krijgen. Van de bevolking krijgt gemiddeld 1 op 1000 tot 3 op 1000 mensen diabetes type 1. Maar mensen van wie de moeder bijvoorbeeld diabetes type 1 heeft, hebben een risico van 1 op 25 tot 1 op 100. En als een helft van een eeneiïge tweeling type 1 diabetes heeft, is het risico voor de ander 1 op 3 tot bijna 2 op 3. Dit betekent ook dat zelfs bij een exact gelijke aanleg de ziekte lang niet altijd bij beide helften van een tweeling optreedt. Naast erfelijke aanleg zijn er dus zeker andere oorzaken in het spel.
Virussen
Het vermoeden bestaat dat een virusinfectie van de alvleesklier de auto-immuunreactie op gang kan brengen. Het afweersysteem maakt antilichamen tegen dit virus, maar die antilichamen vallen uiteindelijk ook de insuline- en glucagonproducerende cellen aan. Mogelijk gebeurt dit als iemand geïnfecteerd is met een eiwit (bijvoorbeeld van een virus) dat qua structuur erg lijkt op bètaceleiwitten. Antilichamen tegen het lichaamsvreemde eiwit zouden door die gelijkenis ‘per vergissing' ook de eigen bètacellen gaan aanvallen.
In het verleden is geopperd dat het rubellavirus (rode hond), het bofvirus, het cytamegalovirus en het Coxsackie-B-virus misschien iets te maken zouden kunnen hebben met het ontstaan van type 1 diabetes. Deze theorie is echter nooit goed bevestigd en tegenwoordig zijn er niet meer zo veel aanhangers van de virushypothese. Ook bestaat het idee dat een infectie met darmbacteriën (enterokokken) tijdens de zwangerschap een rol zou kunnen spelen bij het later ontstaan van type 1 diabetes bij het kind.
Andere theorieën
- Koemelkallergie. Kinderen die flesvoeding hebben gehad hebben meer kans op het krijgen van typ1 diabetes dan kinderen die borstvoeding hebben gehad. Daarop is het idee ontstaan dat "iets" in flesvoeding (koemelk) de trigger zou kunnen vormen voor het ontstaan van de immunologische reactie gericht tegen de eilandjes van Langerhans.
- De hygienetheorie. Doordat kinderen tegenwoordig zo hygiënisch opgroeien, komen ze weinig in contact met bacteriën en andere ziekteverwekkers. Daardoor ontstaat er sneller een "overgevoeligheidsreactie" op min of meer normale ziekteverwekkers.
- Type 1 diabetes komt het meest voor in de scandinavische landen en het minst in de zuidelijke landen. Nederland zit enigszins in de middenmoot. Het lijkt er dus op dat type 1 diabetes iets te maken heeft met zonlicht - hoe minder, hoe meer kans. Wellicht heeft dit op haar beurt weer te maken met vitamine D, welke onder invloed van zonlicht wordt aangemaakt. Er loopt inmiddels onderzoek naar de rol van vitamine D bij het ontstaan van type 1 diabetes.
Nog veel onduidelijk
Er zijn dus aanwijzingen dat type 1 diabetes ontstaat door een combinatie van erfelijke en omgevingsfactoren. Maar hoe die factoren samen precies diabetes type 1 veroorzaken, en waarom, is nog niet duidelijk.
Klachten
Type 1 diabetes ontwikkelt zich meestal binnen enkele dagen of weken. Door een tekort aan insuline ontstaat een te hoge bloedglucoseglucosespiegel ofwel hyperglykemie. Vrij plotseling kunnen daardoor klachten optreden als:
* dorst en een droge mond
* veel drinken
* veel plassen
* vermagering ondanks goede eetlust
* vermoeidheid
* verzuring van het lichaam (ophoping van aceton-actige afvalstoffen)
* terugkerende infecties
* problemen met zien
* stoornissen van tast en gevoel
Iemand met type 1 diabetes voelt zich dus meestal in een heel korte tijd ziek worden. De laatste jaren is bekend geworden dat aan de ziekte een lange periode zonder klachten voorafgaat, waarin bètacellen al wel verloren gaan. Aan het einde van die eerste fase, die maanden tot jaren kan duren, raakt de glucosestofwisseling gestoord. Een tweede fase treedt in: de zogenoemde Impaired Glucose Tolerance (IGT). Pas in een derde fase is echt sprake van diabetes.
Bron NDF
